Meer zien

Naar Dachau reizen voor Titus Brandsma

Bij ons huis in Almelo verrijst op de plek van de voormalige Willibrordkerk een verzorgingshuis, de Titus Brandsmahof. Wie was Titus Brandsma en waarom moet zijn naam bewaard blijven voor latere generaties? Al 25 jaar heb ik contacten met ‘de Karmel’ in Almelo en toch kon ik die vragen niet beantwoorden. Dit jaar vond de 10e Dachaureis plaats naar de plek waar deze karmeliet de dood vond en ik mocht mee.

Wie was Titus Brandsma?Anno Sjoerd Brandsma werd in 1881 op een boerderij in de omgeving van Bolsward geboren. ‘Titus’ was zijn kloosternaam toen hij in 1898 intrad bij de karmelieten in Boxmeer. In 1905 werd hij tot priester gewijd. Van 1906 tot 1909 studeerde hij in Rome, naast filosofie ook sociologie. In 1923 werd hij aan de pas opgerichte Katholieke Universiteit in Nijmegen hoogleraar in de wijsbegeerte en de geschiedenis van de vroomheid, met name de Nederlandse mystiek. In 1935 kreeg hij een bisschoppelijke benoeming tot geestelijk adviseur van de r.k. journalistenvereniging. Ook was hij in uiteenlopende maatschappelijke organisaties actief: in katholieke onderwijsorganisaties, in organisaties ter bevordering van Friesland en het Fries en in een natuurbeschermingsorganisatie als ‘it Fryske Gea’. Hij stond vanuit zijn leeropdracht aan de basis van het bewaren en toegankelijk maken van vooral Nederlandse mystieke middeleeuwse handschriften. Persoonlijk was Titus diep geworteld in de Karmelitaanse spiritualiteit, met name van Teresia van Avila. Hoewel hij zelf terughoudend was over zijn innerlijk leven, is het zeer aannemelijk dat zijn concentratie op de mystiek de bron was voor zijn brede engagement. Reeds begin jaren ’30 sprak hij zijn bezorgdheid uit over het opkomende nationaalsocialisme. Na de bezetting riep hij in overleg met aartsbisschop De Jong redacties van katholieke kranten en schoolbesturen op zich te verzetten tegen gelijkschakeling en tegen Jodendiscriminatie. Begin 1942 werd hij gearresteerd en naar kamp Amersfoort gebracht. Via de gevangenis in Kleve kwam hij in Dachau waar hij op 26 juli is omgekomen. In 1985 werd hij door paus Johannes Paulus II zalig verklaard.

Lees meer »

De reis

Een lid van de Karmelgemeenschap in Almelo maakte mij attent op de Dachaureis die dit jaar voor de 10e keer op rij werd georganiseerd en introduceerde mij in het reisgezelschap. De reis begon in Nijmegen met een korte viering in de Titus Brandsma Gedachteniskerk. Vervolgens bezochten we de gevangenis in Kleve waar Titus korte tijd gevangen zat. Tijdens een viering in de Stifskirche in Kleve werden mensen herdacht die zich net als Titus hebben verzet tegen de totalitaire dictatuur van nazi-Duitsland. Vanuit deze kerk wordt sinds een aantal jaren gewerkt aan verzoening tussen de voormalige vijanden. De volgende dag brachten we in Mainz een bezoek aan de Karmelkerk. Midden jaren ’20 was Titus Brandsma betrokken bij het weer in gebruik nemen van deze kerk voor haar oorspronkelijke bestemming. De kerk raakte in de oorlog beschadigd bij een bombardement en wordt gerestaureerd. Opmerkelijk zijn de Karmelsymbolen uit verschillende perioden. In de loop van de middag vertrokken we naar Weisendorf waar we ontvangen werden in het Edith Steinhuis. De derde dag stonden we uitvoeriger stil bij het leven van Titus en bij de spiritualiteit van de Karmel; in een viering stond bezinning op de Karmelregel centraal. De vierde dag was bestemd voor een bezoek aan het concentratiekamp Dachau. Van het oorspronkelijke kamp is de strafbunker nog intact, met een speciale afdeling voor geestelijken (o.a. ds. Martin Niemöller). Verder zijn 2 barakken nagebouwd; de plaats van de andere 26 barakken is gemarkeerd. Mij trof vooral dat deze doodsmachinerie planmatig in Berlijn werd uitgedacht.

Een liturgisch kader

Die middag stond een bezoek gepland aan het Karmelietessenklooster dat aan het kamp is vast gebouwd. In een kennismakingsronde vertelden de zusters over hun betrokkenheid bij het kamp; ze onderhouden contacten met overlevenden en met nabestaanden van de meer dan 200.000 slachtoffers van het kamp. De dag werd afgesloten met een viering die begon bij de plaats van de barak waar Titus gevangen zat en die werd voortgezet met een eucharistieviering in het klooster. Het woord viering komt veelvuldig voor in dit verslag. Die vieringen laten wisselende combinaties zien van teksten van en over Titus Brandsma, Psalm 22 (muziek: Chris Fictoor, vertaling: Kees Waaijman), beurtlezing uit de Brieven van het N.T., gebed, stilte, lezing van de Karmelregel en enkele liederen. In hun wisselende schikking verwijzen ze naar elkaar: de Schrift, de kerk, de Karmelspiritualiteit en de biografie van ‘pater Titus’. Ze vormen een uitnodiging aan de deelnemers om keer op keer te zoeken naar een eigen plaats in dit geheel. Dit liturgische kader verbindt de deelnemers ook met elkaar. Gesprekken verschralen daardoor niet (gauw) tot stellingnames.

Het ‘spirituele surplus’ van iemand als Titus Brandsma

Tijdens de reis drong de vraag zich bij mij op waar het ‘geestelijk tegoed’ van iemand als Titus Brandsma op berust. In mijn argeloosheid vroeg ik een doorgewinterde Karmeliet naar het ‘spirituele surplus’ van Titus. Meteen bedacht ik: zoiets kan alleen een buitenstaander vragen. Maar toch: er zijn veel van zulke verdienstelijke mensen geweest die voor hun inzet en trouw met hun leven hebben betaald en waarom wordt juist deze ene zorgvuldig in herinnering gehouden en wordt aan hem als een model van geloven gerefereerd? Immers, de persoon en het werk van Titus Brandsma blijken een bron van inspiratie te zijn voor heel veel verschillende mensen; instellingen zoals het Titus Brandsma Instituut in Nijmegen bouwen voort op zijn wetenschappelijke en maatschappelijke inzet en activiteiten. Voor protestants Nederland zou ik geen vergelijkbare identificatiefiguur kunnen noemen – niet alleen omdat ons deze benadering lichtelijk verdacht voorkomt. Voor mij komt Dietrich Bonhoeffer nog het dichtst in de buurt. Daar kan ik dezelfde vraag naar het ‘spirituele surplus’ stellen. Waarom zijn zulke mensen blijvend actueel? De tochten in de bus waren lang genoeg om mezelf die vraag te stellen. Verder dan een voorlopig antwoord ben ik niet gekomen. In gedachten zie ik de punten van een driehoek: een persoon met een luisterende grondhouding, een intellectuele gedrevenheid om het kerkelijk geloofsgoed te doordenken met het oog op de eigen cultuur en een brede en actieve maatschappelijke en politieke betrokkenheid. Die drie punten omsluiten een persoonlijke geloofskern, die zich aan iedere greep van buitenaf onttrekt en die zo iemand zelf als Godsgeschenk aanvaardt. In die zin waren ze tot het laatst ook ongrijpbaar voor wie hen gevangen hielden. In 1932 hield Titus Brandsma als rector magnificus de Dies-rede die handelde over het Godsbegrip. Hij zegt “God is kenbaar in ons wezen” en die Godsaanschouwing heeft zijn uitwerking op ons gedrag. De spiritualiteit van de Karmel is doordrongen van de verborgen aanwezigheid van God in de hele schepping en in ieder mens; voor Titus gold dat ook voor zijn beulen. De ‘vrijgevige’ verbondenheid van God met alle mensen voorziet het rooms-katholieke mensbeeld van een positief voorteken, waar bij protestanten eerder het besef van een breuk voorop staat, die geheeld moet worden. Dat is mij als protestantse deelnemer aan deze reis weer eens duidelijk geworden.

Meer van Jozef dan prof. Van Os denkt

In de Kerstbijlage van TROUW gaf prof. Henk van Os een kunsthistorische visie op de heilige familie en dan vooral op de persoon van Jozef. De plaats van Jozef weerspiegelt de geloofsvisie en de maatschappelijke verhoudingen van de tijd waarin het kunstwerk is ontstaan. Dat levert boeiende doorkijkjes op: Jozef als de man die het ook niet helpen kan, Jozef de family man, Jozef de voorbeeldige ambachtsman. In 19e eeuwse kerken zie je beelden van Jozef en Jezus samen: Jozef lijkt op het punt te staan om Jezus in te wijden in het timmermansvak. Een ambachtelijke ‘bar mitswa’: Jezus moet immers zijn in de dingen van zijn vader. Die beelden dateren vooral uit de tijd van de encycliek ‘Rerum Novarum’ en ze tonen hoe de rooms-katholieke kerk zoekt naar een antwoord op de maatschappelijke woelingen van die tijd. Na die tijd zou, zo lijkt prof. Van Os te zeggen, het kunsthistorische spoor van Jozef min of meer doodlopen.

Lees meer »

Jozef en het bedreigde leven
Daar zijn naar mijn mening toch kanttekeningen bij te maken want ook in de 20e eeuw kiezen kunstenaars de heilige familie als onderwerp, een enkele zelfs met gevaar voor eigen leven. Er is in de kunst van de 20e eeuw toch wel iets meer over Jozef te melden dan het overzicht van prof. Van Os suggereert. Twee dingen vallen op: moderne kunstenaars brengen de dreigingen van hun eigen tijd in verband met de gevaren die de heilige familie omringen. Of ze wijzen op de relatie tussen het bedreigde kind en zijn ouders en het lijden dat dit kind later als mens nog zal ondergaan. In bedrieglijke light verse regels zegt Kees Stip: ‘Herodes kwam te vroeg. Het kindje had nog heel wat voor de boeg.’ Geen idyllisch verkort kerstevangelie maar het hele verhaal komt mee. De vrolijke onschuld van kerst is ver te zoeken en misschien zijn om die reden deze kunstwerken ook wel naar de rand van de waarneming gedrongen. Als het waar is dat kunst uitdrukking geeft aan wat er speelt in de wereld, inclusief de politieke verhoudingen, dan hebben we met verontrustende beelden te maken.
Jezus en zijn zigeunerfamilie
Het eerste beeld is een houtskooltekening die Otto Pankok in 1933 maakte als opening van een cyclus van meer dan 60 tekeningen over het lijden van Jezus. Pankok is dan 40 jaar en het is het jaar van de machtsovername door de nazi’s. Sinds 1931 woont hij in Düsseldorf bij de zigeuners bij wie hij daarvoor jarenlang in Zuid-Frankrijk woonde. De mensen op de tekening zijn zigeuners die hij kent en van wie kort daarna één in een concentratiekamp omkomt. Door het verhaal uit de Bijbel te verbinden met de politieke realiteit van zijn tijd neemt Pankok stelling tegen de behandeling van minderheden. Zijn tekeningen zijn een daad van verzet.. De tekeningencyclus over het lijdensverhaal is nog in 1935 in Münster op een expositie te zien geweest. De partij liet een volgende tentoonstelling voortijdig sluiten. Pankok kreeg een verbod om zijn beroep als schilder uit te oefenen.
Een Berlijnse uitgever bereidde met de leider van de kunstafdeling van de evangelische Kerk een uitgave van de cyclus in boekvorm voor. Een pater die het voorwoord zou schrijven moest plotseling vluchten. Omdat hij anderen niet in gevaar wilde brengen schreef Pankok zelf het voorwoord, met o.a. deze zinsnede “Je kunt de mens ombrengen/ zijn liefde leeft voort”. Het boek verscheen in 1936 en werd vanwege de godslasterlijke inhoud meteen vernietigd. In dat jaar verbleef Pankok kort in Gildehaus, vlakbij de Nederlandse grens, waar nu een museum is dat zijn naam draagt. Een vergelijkbaar voorbeeld is de ‘Lausitzer Weihnachtsgeschichte’, een reeks houtsneden die de kunstenaar Helmuth Muntschick (1910-1943) maakte op het moment dat hij als Wehrmacht-soldaat diende aan het front in Rusland. Zijn werk was ook verdacht als ‘entartete Kunst’ en deze beelden reeks is dan ook een uiting van verzet.
Emil Nolde en de vermoorde onschuld
Het beeld hiernaast met als titel ‘Heilige Nacht’ maakt deel uit van een veelluik dat tegenwoordig te zien is in het Emil Noldemuseum in Seebüll, aan de Duits-Deense grens. Het veelluik biedt op negen panelen Het leven van Christus . Centraal staat het beeld van de kruisiging van Christus en links beelden van de geboorte, de aanbidding van de wijzen, de twaalfjarige Jezus in de tempel en het verraad met de Judaskus. Alleen de rechter beeldrand met de ezel, de herders en de lichtende ster laat zien dat dit werk uit 1911 de geboorte van Gods zoon uitbeeldt. Maria en Jozef lijken zelf ‘domweg gelukkig’ met hun eerste kind, vergelijkbaar met een schilderij dat Jannes de Vries, lid van De Ploeg, later maakte. Zo onschuldig is dit beeld echter niet; vooral in de grotere samenhang met de acht andere schilderijen verliest het lieflijke beeld zijn onschuld. Het werk in zijn geheel werd in 1912 geweigerd op exposities in Brussel en Keulen. In 1937 was het in München te zien op de tentoonstelling van ‘entartete Kunst’. Het rauwe en ongepolijste van Nolde’s werk waarbij de sporen van de diepere goddelijke waarheid lijken te zijn uitgewist, wekte bij veel beschouwers onbegrip en weerstand op. Om te laten zien dat Gods bewogenheid de aardse werkelijkheid niet overslaat maar het juist tot waarmerk van betrouwbaarheid maakt, kan niet zonder een voluit aardse moeder en vader. Jozef houdt God bij de les.
Jozef en het vluchtelingenvraagstuk
In 1986, zeven jaar voordat hij naar Israël emigreerde, schilderde de Russische kunstenaar Alexander Goerevitsj (geb. in 1944) dit doek. Vanaf 1974 was werk van hem te zien geweest op onofficiële exposities met non-conformistische kunst in Leningrad In november 1975 exposeerde hij als Joods kunstenaar op een onofficiële organisatie van Joodse kunstenaars. Sinds 35 jaar lieten Joodse kunstenaars weer van zich horen. Zij wezen ondanks e gevaren op de bronnen van hun kunst in de Joodse cultuur om zo een brug te slaan tussen het verleden, heden en de toekomst. Goerevitsj en de andere kunstenaars zullen zich als kunstenaar en Jood lange tijd onvrij gevoeld hebben. In zijn werken actualiseerde Goerevitsj veelal Bijbelse onderwerpen. In dit werk wordt een parallel getrokken tussen de ‘vlucht naar Egypte’ van Jozef, Maria en hun kind en zijn eigen vlucht uit de Sovjet Unie. Op een vergelijkbare manier had Oskar Kokoschka in 1911 dit thema uitgebeeld in een schilderij en in grafisch werk. Hij was toen net teruggekeerd naar Wenen. In die stad waren de tekenen van de ondergang van de Habsburgse monarchie te zien voor wie er van buitenaf naar keek. Kunstenaars blijken ontbindingsverschijnselen in de samenleving eerder te registreren dan anderen; de meest kostbare verbanden zijn in zo’n situatie de meest kwetsbare. Juist dan is de precaire situatie van de bedreigde heilige familie uitermate geschikt om de waarschuwing in een toegankelijk beeld te vertalen om op die manier nog enkelen wakker te schudden.
Jozef onmisbaar
Een schilderij op de tentoonstelling over de Moderne Devotie laat Maria en Jozef samen aanwezig zijn bij de apocriefe scène van ‘Christus op de koude steen’. Zo zijn ze ook samen als ze de twaalfjarige Jezus na drie dagen (!) terugvinden in de tempel. Dankzij Jozef vervluchtigt de pastorale in de kerstnacht niet tot een sprookje en Jozef neemt letterlijk het voortouw als het voortbestaan van zijn familie wordt bedreigd. Als het om kritieke situaties en hun verbeelding gaat is Jozef onmisbaar.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>